Antirevolutionair

Antirevolutionair werden in de 19e eeuw (en aanvankelijk ook nog wel in de 20e eeuw) die Nederlandse politici genoemd die zich verzetten tegen de beginselen van de Franse Revolutie (met name die van de menselijke soevereiniteit) en daar tegenover de soevereiniteit van God plaatsten. De antirevolutionairen erkenden overigens wel dat de Revolutie ook nuttige gevolgen gehad had en voortgekomen was uit gerechtvaardigde kritiek op de toestanden ervoor. Ze waren dus niet 'contra-revolutionair' of tegen alle verandering, maar vonden het beter verandering geleidelijk door te voeren, niet schoksgewijs.
Een bekende voorman was de toenmalige politicus en historicus Guillaume Groen van Prinsterer.

Er was sprake van een stroming en niet van een partij, al werden plaatselijk kiesverenigingen opgericht. Uiteenlopende groepen en personen rekenden zich tot de antirevolutionairen, hoewel die vaak door Groen van Prinsterer zelf niet als zodanig werden beschouwd. Er was enige tijd sprake van Groenianen en Zuylianen, naar hun leider J.Ph.J.A. graaf van Zuylen van Nijevelt. Groen van Prinsterer deelde de Zuylianen in bij de conservatieven.

Onder invloed van de strijd voor financiële gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs en tegen de Wet op het lager onderwijs in 1878 (Anti-Schoolwetverbond) kwam het in 1879 tot een landelijke partijorganisatie, de Anti-Revolutionaire Partij. Deze is opgericht door de politicus, theoloog en journalist Abraham Kuyper.