Buitengewoon hoogleraar

Een buitengewoon hoogleraar was in Nederland tot 1985 een hoogleraar die in deeltijd in dienst was bij een universiteit. De functie werd niet uit het normale onderwijsbudget van een universiteit wordt betaald, maar buiten de vaste, reguliere aanstellingsplaatsen om, veelal betaald uit een specifiek universitair fonds.

Anders dan de bijzonder hoogleraar is de buitengewoon hoogleraar niet aangesteld vanuit de middelen van een stichting of bedrijf, maar uit die van de universiteit zelf.[bron?]

Geschiedenis

Buitengewoon hoogleraren werden reeds aangesteld bij de Illustere scholen. Personen vervulden deze functie deeltijds en hadden een iets lagere status dan de gewone hoogleraren.[1] Tussen 1877-1905 werd de functie bij de rijksuniversiteiten afgeschaft, de gemeentelijke universiteit van Amsterdam behield in deze periode de functie. Vanaf 1905 had de buitengewoon hoogleraar examen- en promotierecht. In 1985 werd de functie van buitengewoon hoogleraar in Nederland afgeschaft en gelijkgesteld met de functie van gewoon hoogleraar.[2][3]