Chromosoom
English: Chromosome

Chromosoom Dutch text.png
46 chromosomen van een vrouw
Chromosoom tijdens celdeling

 1. Chromatide

 2. Centromeer

 3. Korte arm

 4. Lange arm

Chromosomenpreparaat
Chromosomen van de mens

Een chromosoom (Oudgrieks: χρῶμα (chrōma) = kleur; σῶμα (sōma) = lichaam) is een drager van een deel van het erfelijk materiaal (DNA) van een organisme. Het is een met kleurstoffen goed zichtbaar te maken eiwitstructuur in de celkern van eukaryoten.

Tijdens de celdeling worden de chromosomen goed zichtbaar door samentrekking (condensatie) van het chromatine. Aan het eind van een chromosoom zit een telomeer. Er zijn autosomen, X-chromosomen en Y-chromosomen.

Bij diploïde organismen, ook bij de mens, komen chromosomen voor in paren van homologe chromosomen, waarbij één exemplaar van de moeder komt en het andere van de vader. Homologe chromosomen hebben een gelijke opbouw, maar zijn niet identiek.

Gewoonlijk heeft een mens 46 chromosomen (23 paar) per cel. Bij de celdeling verdubbelt ieder chromosoom zich en bestaat dan tijdelijk uit twee identieke chromatiden. De celkern bevat dan 92 chromatiden. Als de chromatiden van elkaar gescheiden zijn blijven er 92 dochterchromosomen over, die later verdeeld worden over twee dochtercellen, zodat elke cel weer 46 chromosomen heeft.

De prokaryoten (bacteriën en Archaea), maar ook plastiden en mitochondriën, hebben geen echte chromosomen maar ringvormig DNA dat niet in een celkern is vervat maar los in het cytoplasma van de cel ligt.