Evolutie (biologie)
English: Evolution

Fylogenetische stamboom van het leven door Ernst Haeckel rond 1879. In deze boom stelde elke tak een taxon voor en ontspringen alle takken vanuit een enkele stam. Haeckels versie, hoewel achterhaald, laat het het principe van een gemeenschappelijke voorouder duidelijk zien.

Evolutie is het biologische begrip waarmee het proces van verandering in alle vormen van leven van generatie op generatie wordt aangegeven. Evolutie kan worden gedefinieerd als de geleidelijke verandering in populaties door overerving met variatie en natuurlijke selectie.

Evolutiebiologie is het vakgebied dat de manier bestudeert waarop, en de oorzaken waardoor evolutie optreedt. De evolutietheorie is de natuurwetenschappelijke verklaring voor de evolutie van het leven en voor de verscheidenheid aan soorten op Aarde.

Door middel van genen erft een organisme de erfelijke eigenschappen en daardoor de kenmerken van zijn ouder(s). Mutaties (veranderingen in het genoom) kunnen als gevolg hebben dat nieuwe eigenschappen ontstaan in de nakomelingen van een organisme. Als een nieuwe eigenschap een organisme voordeel biedt zal dit organisme een grotere kans op overleven en op nageslacht hebben. Dit mechanisme heet natuurlijke selectie en heeft als gevolg dat eigenschappen die voordeel bieden vaker voor gaan komen in een populatie. Over veel generaties kan een populatie zoveel nieuwe eigenschappen verkrijgen dat het onder geschikte omstandigheden een nieuwe soort wordt.

Volgens moderne opvattingen waren de oudst bekende organismen bacteriën, Archaea en voorouders van de eukaryoten die ongeveer 3,5 miljard jaar geleden in waterige omgeving leefden.

Het ontstaan van eukaryoten wordt verklaard door de endosymbiontentheorie. Uit de eukaryoten ontstonden steeds ingewikkeldere eencelligen en meercellige organismen. Het domein van de eukaryoten omvat 5 of 6 supergroepen. De bekende rijken van de schimmels en de dieren worden tegenwoordig samen als Opisthokonta in de supergroep Unikonta geplaatst. Het eerste plantaardige leven op aarde bestond één miljard jaar geleden uit algen. De planten vormen met algen als de groenwieren en de roodwieren de supergroep Archaeplastida. De in deze supergroep slechts eenmaal verworven plastiden en bijbehorend erfelijk materiaal konden aan andere supergroepen worden doorgegeven door secundaire en tertiaire endosymbiose. De eerste herkenbare landplanten dateren van 450 miljoen jaar geleden.

De eerste fossielen van insecten zijn 400 miljoen jaar geleden ontstaan. De gewervelde dieren waren een grote groep van waterbewonende dieren, waarvan vermoedelijk een groep van de kwastvinnigen geleidelijk het land heeft gekoloniseerd. De eerste viervoeters waren afhankelijk van water, vergelijkbaar met de tegenwoordige amfibieën, maar door de ontwikkeling van het amnion ongeveer 330 miljoen jaar geleden is een groep erin geslaagd de embryonale ontwikkeling in een ei buiten het water door te maken. Al snel splitsten de voorouders van zoogdieren (Synapsida) zich af. Uit de rest van de groepen (Sauropsida) zijn de tegenwoordig bekende reptielengroepen, als hagedissen en krokodillen, vele uitgestorven groepen als ichthyosauriërs, plesiosauriërs, pterosauriërs en de dinosauriërs met als enige overlevende groep de vogels ontstaan.