Simon Carmiggelt

Simon Carmiggelt
Simon Carmiggelt (1973)
Simon Carmiggelt (1973)
De geheelonthouders hebben gelijk, maar alleen de drinkers weten waaròm[1]
Algemene informatie
Volledige naamSimon Johannes Carmiggelt
Pseudoniem(en)Kronkel, Karel Bralleput
Geboren7 oktober 1913
Overleden30 november 1987
LandVlag van Nederland Nederland
Beroepjournalist, columnist, auteur
HandtekeningHandtekening
Werk
Jaren actief1931-1987, als Kronkel vanaf 1946
Genrecursiefje
Stromingrealisme[2]
InvloedenHerman Heijermans, Anton Tsjechov, Willem Elsschot
Bekende werkenKlein beginnen
Kroeglopen
Mooi weer vandaag
UitgeverijDe Arbeiderspers
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon  Literatuur

Simon Johannes Carmiggelt (Den Haag, 7 oktober 1913Amsterdam, 30 november 1987) was een Nederlandse journalist, schrijver en dichter. Onder het pseudoniem Kronkel publiceerde hij bijna veertig jaar vrijwel dagelijks een cursiefje in dagblad Het Parool, waarvan de selectie in jaarlijkse bundels en zijn voordracht voor de televisie hem een grote populariteit opleverden. Cabaretteksten schreef hij voor onder meer Wim Kan en Wim Sonneveld, waaronder Sonnevelds conférences 'Croquetten' en 'De jongens'. In 1961 werd Carmiggelt de Constantijn Huygens-prijs toegekend en in 1977 de P.C. Hooft-prijs voor het jaar 1974.

Carmiggelt leerde zich in zijn geboortestad Den Haag het journalistenvak aan. Eind 1931 werd hij aangenomen bij de Haagse editie van Het Volk. Naast toneelrecensies en verslagen van kleine rechtszaken, schreef hij vanaf 1936 ook de rubriek Kleinigheden, de voorloper van de Kronkels. Hij versloeg de bijeenkomsten van de NSB, omdat de krant de ware aard ervan wilde tonen. Op 6 september 1939 trouwde hij met Tiny de Goey, zwanger van dochter Marianne. In 1940, vlak voor het uitbreken van de oorlog, verscheen zijn eerste boek, Vijftig dwaasheden, een selectie uit Kleinigheden. Vanaf juli 1940 bepaalde de bezetter de koers van de krant en namen Carmiggelt en zijn broer Jan ontslag. Nog hetzelfde jaar werd hij persagent van het Residentie Tooneel. In juli 1941 accepteerde hij zijn ontslag als enige medewerker die weigerde de niet-Joodverklaring te tekenen. Hij schreef de detectiveroman Johan Justus Jacob om een uitgeverij te helpen waar joden werkten die elders ontslagen waren. Verder hield hij zich met allerlei baantjes in leven.

In 1942 werd zoon Frank geboren en begon de door vrienden opgerichte illegale krant Het Parool te verschijnen. Hoewel hij een gezin had, werkte hij eraan mee. In 1943 werd zijn in het verzet actieve broer verraden door toedoen van de bevriende econoom Friedrich Weinreb en kwam om in kamp Vught. Daarop raakte Carmiggelt nauwer betrokken bij de krant en nam de druktechnische verzorging op zich. Toen Den Haag hem te gevaarlijk werd, verhuisde hij naar de Amsterdamse Reguliersgracht, later naar de Egelantiersgracht, waar hij de Hongerwinter en de bevrijding doorbracht. Rond de bevrijding verhuisden de Carmiggelts naar een flat aan het Eerste Weteringplantsoen. Na de bevrijding bleef hij verbonden aan de nu legale krant en verzorgde vanaf 24 oktober 1946 onder de naam Kronkel een dagelijks cursiefje dat snel populair werd en decennialang de identiteit van de krant mede bepaalde.

Carmiggelt was goed bevriend met Wim Kan, maar de bekende op zijn Kronkels gebaseerde conférences zijn van Sonneveld. In 1956 was Carmiggelt, die al aan het Varacabaret op de radio meewerkte, voor het eerst op de televisie te zien, waarop hij vanaf 1965 met regelmaat een Kronkel voordroeg, die een allengs minder vrolijke en meer sombere aard kregen. Van 1971 tot 1975 onderhield hij een correspondentie met Gerard Reve. In 1972 stortte hij mentaal en fysiek ineen en moest stoppen met drinken. Toen hij zijn cursiefje weer hernam, bleek hij de pointe als vaste afsluiter te hebben losgelaten. In 1977 werd hem de P.C. Hooft-prijs voor 1974 toegekend en hetzelfde jaar uitgereikt.

Na het behalen van de pensioengerechtigde leeftijd in 1978 bleef hij aanvankelijk nog zes keer per week in de krant staan, maar in 1980 halveerde hij de frequentie en ten tijde van zijn laatste Kronkel, in 1983, stond hij nog maar eens per week in de krant. In deze periode bloeide ook een liefde op tussen Carmiggelt en columniste Renate Rubinstein van Vrij Nederland. De laatste jaren schreef hij niet meer. In 1987 werd diabetes vastgesteld. Hij overleed aan zijn tweede hartaanval, enkele weken nadat een eerste hem al verzwakt had.

In de loop der jaren ontwikkelde Carmiggelt zich als prozaïst; volgens criticus Kees Fens gaf hij in zijn beste werk de schijnbaar eenvoudige verhaaltjes een geraffineerde constructie en afgewogen formuleringen mee. Het is aan het mededogen en inlevingsvermogen van de auteur te danken dat het contrast tussen ideaal en werkelijkheid waarmee zijn personages zich geconfronteerd zien, verhalen opleverde die in al hun treurigheid vaak - met name in de middenperiode van zijn oeuvre - 'verscheurend humoristisch' zijn.[3] Carmiggelts meesterschap over de taal bleef gedurende zijn hele loopbaan groeien, hij had steeds minder woorden nodig om steeds meer te suggereren. De stad Amsterdam is de onuitgesproken, impliciete achtergrond van veel van zijn werk. Volgens zijn biografen Sylvia Witteman en Thomas van den Bergh produceerde Carmiggelt 'de meest gelezen en meest gewaardeerde column uit de Nederlandse dagbladhistorie.'[4]

Inhoud