Abel Tasman | eerste expeditie (14 augustus 1642-15 juni 1643)
English: Abel Tasman

Eerste expeditie (14 augustus 1642-15 juni 1643)

In opdracht van Antonie van Diemen, Cornelis van der Lijn, Joan Maetsuycker, Justus Schouten, Salomon Sweers, Cornelis Witsen en Pieter Boreel vertrok Tasman als commandant van Batavia (het huidige Jakarta) met twee kleine schepen, de Heemskerck en de Zeehaen eerst naar Mauritius om goederen en post af te leveren. Daar kwamen de schepen op 5 september aan. De schepen, die in slechte conditie waren, werden gerepareerd, er werd brandhout gehakt en de bemanning had toestemming om te jagen en zich te goed te doen aan vlees, verse groenten en fruit. Op 8 oktober vertrok hij met gunstige wind oostwaarts tot een zuidelijker breedte dan tot dan toe gedaan was. Op 6 november begon het te sneeuwen en hagelen en commandant Tasman besloot de koers naar het noorden te verleggen.

Ze voeren verder dan Pieter Nuyts had gedaan en ontdekten op 24 november na zo'n 9000 km zeilen het eiland Tasmanië. Hij doopte het Antonie van Diemensland. Deze naam werd behouden door de Britten die er, eeuwen later, de strafkolonie Van Diemensland vestigden. Op 1 december werd aan land gegaan om verse groente en zoet water te zoeken. De bemanning hoorde muziek en zag rookpluimen, maar niemand van de lokale bevolking, de Tasmaniërs, liet zich zien. Met veel moeite werd een vlag geplant en de beide schepen voeren verder naar het oosten.

Op 13 december 1642 kregen Tasman en zijn mannen een groot hoog verheven landt in zicht. Ze zagen als eerste Europeanen de westkust van het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland, nu Okarito. De Zeehaen en de Heemskerck voeren noordwaarts langs de westkust van Nieuw-Zeeland. Tasman noemde het land Statenland, denkende dat het het eiland was zuidelijk van Kaap Hoorn, dat door Jacques l'Hermite zo was genoemd. Nabij de noordpunt van het Zuidereiland zette hij het anker uit in een baai. Bij het binnenlopen werd door een Maori op een soort trompet geblazen. Tasman liet deze begroeting op zijn beurt beantwoorden met trompetsignalen. De bevolking benaderde de beide schepen, maar bleek niet geïnteresseerd in de textiel die ze werd voorgehouden. Bovendien konden ze elkaar niet verstaan. Het bleek dat de woordenlijst voor de Salomonseilanden die Tasman bezat, afkomstig van Jacob le Maire, niet voldeed.

De volgende dag werden vier scheepslieden van de Zeehaen, die in een prauw aan land wilden gaan of het andere schip wilden bezoeken, gedood. Waarschijnlijk werden de trompetsignalen van de vorige dag door de Maori's als oorlogsverklaring uitgelegd. Tasman gaf deze plaats de naam Moordenaarsbaai en besloot noordwaarts te zeilen. Niettemin kwamen er 22 prauwen achter hen aan, waarvan de voorste man een wit vlaggetje in de hand had. Hij werd beschoten door de woedende bemanning van de Zeehaen en een verdere achtervolging bleef achterwege.

Tegenwoordig heet Moordenaarsbaai Golden Bay. In deze mooie maar afgelegen baai, nabij de plek waar men denkt dat Abel Tasman zijn schepen voor anker gingen, werd in 1942 een monument opgericht. Dit monument werd na een opknapbeurt in 1992 door koningin Beatrix tijdens een staatsbezoek aan Nieuw-Zeeland opnieuw onthuld.[2]

Op 20 december miste Tasman de zeestraat die later Straat Cook zou gaan heten, die het Noorder- en het Zuidereiland scheidt, en nam aan dat het ontdekte land een deel van Terra Australis was, het onbekende Zuidland. Begin januari 1643 ontdekte hij de Driekoningeneilanden. Hij zeilde verder naar de Tonga-eilanden, die hij 20 januari in zicht kreeg. Op het eiland Amsterdam (nu Tongapatu) ruilde hij water, tientallen varkens, 70 kippen, kokosnoten en pisangs tegen wit katoen, een stuk oud zeildoek, diverse spijkers, twee spiegels en wat kralen. De expeditie voer langs Vanua Levu, behorend tot de Fiji-eilanden en via de Salomonseilanden kwamen de twee schepen na zes weken regen terecht in de Bismarckarchipel, ten noordoosten van Nieuw-Guinea.

De Papoea's, die in hun versierde prauwen langs kwamen, toonden nauwelijks belangstelling voor de stukken oude zeildoek en de spijkers die hen werden aanboden. In april voer Tasman langs het vulkanische Karkar dat in 1616 door Willem Schouten en Jacob le Maire het hoge eiland werd genoemd. Onderweg kochten ze op de Schouteneilanden 6000 kokosnoten en honderd trossen bananen voor oude spijkers en messen. De scheepsraad besloot op 24 mei van Halmahera rechtstreeks terug te varen naar Batavia, vanwege de heersende wind en stroom. Op 5 juni zwom een van de bemanningsleden, die verdacht werd van aanranding van de kajuitsknecht, stiekem naar de kust. Via Boeton kwamen de schepen op 15 juni aan in Batavia. Gedurende de hele reis had Tasman slechts vijftien bemanningsleden verloren.