Babylon (stad) | beschrijving van de stad
English: Babylon

Beschrijving van de stad

Babylon was aan de Eufraat gebouwd en in de bloeiperiode van de stad lagen er zowel delen of wijken op de linker- als op de rechteroever. Er waren steile dijken om de jaarlijkse vloed te keren. De oppervlakte bedroeg 890 ha. (enkel Rome en Carthago zijn in de Oudheid ooit groter geweest). Binnen de ommuring was veel open ruimte met groen, ook grasland voor vee en begraafplaatsen. Men schat dat Babylon tussen 1770 en 1670 v.Chr. de grootste stad van de wereld was en nogmaals tussen 612 en 320 v.Chr. Mogelijk was het ook de allereerste stad die een bevolkingsaantal van boven de 200.000 telde.[1] Archeologen en historici schatten een mogelijk bevolkingsaantal doorgaans in een verhouding van tussen de honderd en de vierhonderd personen per hectare.

Tempels en een ziggoerat

Er zijn acht tempels opgegraven. Er was in de 6e eeuw v.Chr. ook een ziggoerat, al weet men niet of die ook reeds in de vorige, oudere stad aanwezig was. Op een reliëf van een Babylonisch vorst staat een afbeelding ervan. Een schrijver uit 230 v.Chr. uit Uruk geeft de afmetingen op van 91 m hoog en breed, met bovenaan een tempel voor Isjtar. Het geheel bevond zich in een temenos van 400 op 400 meter.

De muren van Babylon

De muren van Babylon

In de 3e eeuw v.Chr. schreef de Alexandrijnse dichter Callimachus een werk met de titel (vertaald) "Een verzameling wonderen in landen van de hele wereld". Hij benoemt hierin de zeven wereldwonderen. Opmerkelijk wordt hierin de Pharos van Alexandrië niet beschreven, dit kan betekenen dat toen hij het werk maakte de vuurtoren nog niet bestond of nog gebouwd werd. Callimachus beschreef dat de muren van Babylon tot de wereldwonderen behoorden. In werken van Griekse en Romeinse filosofen waren de afmetingen enorm afwijkend: Volgens Lucius Flavius Arrianus was de omwalling 200 stadiën (ongeveer 37 kilometer) lang, terwijl er ook een bron is gevonden die 480 stadiën (ongeveer 88,8 kilometer) aangeeft als lengte. Voor de breedte gaf Gaius Iulius Hyginus 25 voet (ongeveer 7,75 meter)aan, maar geeft een ander gevonden bron 200 voet (ongeveer 62 meter). De hoogte werd ten slotte door Lucius Flavius Arrianus op 25 voet (ongeveer 7,75 meter) geschat en bij Oros. 2.6.8 wordt er 200 el (ongeveer 92 meter) aangegeven.

De Hangende Tuinen van Babylon

De Hangende tuinen van Babylon gelden als een van de zeven wereldwonderen uit de Oudheid. Nebukadnezar II zou degene geweest zijn die ook deze tuinen liet aanleggen.

Volgens sommigen zouden de tuinen zich in werkelijkheid in Ninive hebben bevonden, al is het niet uitgesloten dat in Babylon gelijkaardige terrastuinen voorkwamen op eerste en tweede verdiepingen van gebouwen.

Bij opgravingen van de Duitse archeoloog Robert Koldewey lijken er fundamenten van te zijn gevonden (een grote bronput, extra zware verstevigde muren, gebruik van bewerkte stenen, uniek op die plaats), maar veel historici betwijfelen de juiste locatie. Assyrische vorsten zoals Assurbanipal hadden inderdaad hangende tuinen, dat wil zeggen terrastuinen op eerste verdiepingen, laten aanleggen en verzamelden er planten en bomen. Volgens de legende zorgde Semiramis, de dochter van de godin Derketo en de echtgenote van een Assyrische vorst, voor de hangende tuinen in Assur. Hun faam zou mogelijk op Babylon zijn geprojecteerd.

Desalniettemin wordt van dit wereldwonder gewag gemaakt door een vijftal belangrijke schrijvers uit de Oudheid.

Stadsarchitectuur

Nebukadnezar II was degene die de stad herbouwde en ze volgens een raster liet indelen in wijken van gelijke grootte, vier op de westelijke en negen op de oostelijke oever van de Eufraat. Langs de noordelijk gelegen Ishtarpoort volgde men een geasfalteerde processieweg tot aan de ziggoerat. Hij had eveneens een noordelijk en een zuidelijk paleis laten bouwen waarvan de beide delen aan deze poort lagen. Rondom werd 8 km aan buitenmuren gebouwd, die in een grote driehoek de stad tussen zich en de Eufraat insloten.