Babylon (stad) | geschiedenis
English: Babylon

Geschiedenis

Kaart met het Babylonisch gebied ten tijde van Hammurabi's troonsbestijging in 1792 v.Chr. en bij zijn dood in 1750 v.Chr.

De mythische oorsprong van Babylon ligt bij een opdracht van de godin Nanna aan de koning van Ur om deze stad te bouwen. Volgens een latere mythe was het de god Marduk die haar bouwde.

De stad was gevestigd op beide oevers van de rivier de Eufraat, ongeveer 300 kilometer stroomopwaarts van haar samenloop met de Tigris. In het 4e millennium v.Chr. was het een aanzienlijk dorp op de oostelijke oever, waar in het 2e millennium v.Chr. de Amurru hun hoofdstad van maakten nadat zij zich in Mesopotamië kwamen vestigen.[4]

Eerste historische vermeldingen (2500 v.Chr.)

De vroegste bron die Babylon vermeldt wordt gedateerd aan de hand van een kleitablet uit het rijk van Sargon van Akkad (circa 24e eeuw v.Chr.) Volgens de zogenaamde "Weidner Kroniek"" was het Sargon zelf die de stad bouwde "tegenover Akkad".[5] Een andere kroniek vermeldt in dezelfde termen dat het Sargon was die "het slijk van de put van Babylon heeft opgedolven, en een tegendeel van Babylon maakte vlak bij Agade".[6]

Tijdens de Derde dynastie van Ur (Ur III) (2119–2004 v.Chr.) vermelden verschillende administratieve teksten Babylon als zetel van een gouverneur ondergeschikt aan de politieke macht van Ur. De namen van de ambtenaren zijn overwegend Akkadisch, wat overeenkomt met de vrij noordelijke ligging van Babylon ten opzichte van de echt Sumerische steden van het Zuiden, een ligging wellicht dichter in de buurt van (het nog niet teruggevonden) Akkad.[7]

De indrukwekkende koningslijst gaat terug tot circa 2300 v.Chr. en bevat onder andere de legendarische koning Hammurabi.

Na de politieke val van Ur III ten gevolge van de verovering van Sumer door de Elamieten, houden alle vermeldingen van Babylon voor een periode van meer dan honderd jaar op.

Oud-Babylonische Rijk (1894–1595 v.Chr.)

1rightarrow blue.svg Zie Oud-Babylonische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Van de 20e eeuw v.Chr. af nam de macht van Babylon af en werd het bezet door de Amorieten, nomadenstammen uit het westen die Semitisch spraken zoals de Akkadiërs, maar nog niet aan landbouw toe waren. Ze verkozen het hoeden van schapen. De Eerste Dynastie van Babylon werd gevestigd door Sumu-abum, al was er maar weinig land in de omgeving dat tot de stadstaat behoorde. Dit zou veranderen onder Hammurabi.

Vanaf 1850 v.Chr., 500 jaar na Zababa, werd Marduk de god van Babylon. Hij is geen militaire spion, met zekere trots noemt hij zich 'Ontdekkingsreiziger'.[8]

Ten slotte wist Hammurabi de stad uit de greep van zijn veroveraars te halen en startte het nieuwe koninkrijk Chaldea, waarvan Babylon de hoofdstad werd. Hammurabi (omstreeks de 18e eeuw v.Chr.) maakte van Babylon de hoofdstad van zijn rijk, dat Babylonië heette. Uit 1750 v.Chr. dateert de Zuil van Hammurabi, waarop hij de wettafels vasthoudt. Ze bevatten een nieuwe formulering van de wet- en rechtspraaktraditie, (die teruggaat tot ver in het 3e millennium v.Chr.), met 250 wetten, gelijksoortig aan die van Ur-Nammu (3e dynastie van Ur). De profeet Mozes werd later op gelijkaardige wijze afgebeeld.[9] Babylonië brengt nu geheel Mesopotamië onder zijn heerschappij, waarmee het begin van het Oud Babylonische Rijk wordt gemaakt.[10] In feite namen de Babyloniërs de beschaving van de Sumeriërs over. Tot dan hadden Semitische leiders elkaar voortdurend bekampt, iets wat reeds ca. 20e eeuw v.Chr. was begonnen.[11] Met de dood van Hammurabi kwam er een einde aan het Oud Babylonische Rijk.

De Babylonische schrijver Sin-liqi-unninni legde het Gilgamesj-epos rond 1600 v.Chr. vast. Een groot aantal veel oudere verhalen komt erin samen.

Kassietische periode (1595–1185 v.Chr.)

De door Hattusilis (met voorbijgaan aan zijn eigen kinderen) aangewezen Hettitische opvolger Mursilis maakte Aleppo met de grond gelijk en deed ook Babylon vallen. In 1595 v.Chr. plunderde het Hettitische leger onder Mursilis Babylon. Mursilis keerde met kisten goud terug naar Hattusas en liet Babylon verder ongemoeid. Maar dit betekende het einde van de Hammurabi-dynastie[12] en had een hergroepering van de politieke krachten in Klein-Azië tot gevolg. Opdringerige Hurrieten leverden toen nog geen moeilijkheden op.[13]

Onder de 440 jaar durende heerschappij van de Kassieten, werd de naam van de hoofdstad omgedoopt tot Karanduniash.

Babylon groeide snel in omvang en aanzien, maar werd vanaf 1530 v.Chr. onderhorig aan Assyrië, wat de instorting van het Babylonische rijk betekende.

De Elamieten vielen het koninkrijk Chaldea binnen (te weten: Lager Mesopotamië, ook Shinar of Sumer geheten, en Hoger Mesopotamië, ook Akkad geheten) en heersten over de stad. In 1158 v.Chr. veroverden zij onder Shutruk-Nahunte (1185–1155 v.Chr.) Babylon en sleepten het cultusbeeld van Marduk mee naar Susa. Hiermee eindigde officieel de Kassietische periode.

Vanaf 1080 v.Chr. doken in Syrië en Mesopotamië zonder zichtbaar verleden nieuwe nomadengroepen op. Aramese en Chaldese stammen infiltreerden het Babylonische gebied. Beide waren West-Semitische volkeren waarvan de onderlinge relatie niet zo duidelijk is. Blijkbaar waren ze voortdurend met elkaar in conflict. De eerste golf streek neer over Assyrië en ongeveer tegelijk over Babylon. Complexe Bijbelse tradities wijzen op een nauwe relatie tussen Arameeërs en Israëlitische voorouders: "Mijn vader was een ronddolende Aramees".[14] Mogelijk waren het eerst in een overeenkomstig gebied wonende afstammelingen van Amorieten of een nauw verwante groep.[15]

Vooral de Chaldeeërs gingen een belangrijke rol spelen in de latere geschiedenis van Babylon. Zij vestigden zich in het Zuiden, rondom Ur (Akkadisch: mât Khaldu) waar ze kleine rijkjes vormden.

Assyrische periode (900–626 v.Chr.)

Detail van de Ishtarpoort

Toen rond 900 Assyrië begon aan zijn glansperiode, kwam Babylon zo goed als volledig onder Assyrische overheersing en begon er een verwarrende periode waarin niet minder dan 26 koningen, behorende tot verschillende dynastieën (Assyrische, Chaldese, en lokaal Babylonische) elkaar opvolgden tot 681 v.Chr. Vooral de Chaldese vorsten voerden een sterke verzetspolitiek tegen Assyrië.[16] De Assyriërs hadden de stad altijd min of meer ontzien uit eerbied voor haar tradities; dikwijls wierpen zij zich op als beschermers van de Babyloniërs tegenover de Chaldeeën. Toen echter een Chaldese koning de Babylonische troon usurpeerde, greep Tiglath-Pileser in: hij lijfde Babylonië in en liet zichzelf tot koning van Babylon kronen (729 v.Chr.).[17]

Onder het bewind van Sennacherib (Sanherib) van Assyrië verkeerde Babyonië voortdurend in staat van oproer, geleid door Mušezib-Marduk. Hieraan kwam pas een einde toen de hele stad werd verwoest. In 710 v.Chr. steunde Hizkia, de koning van Juda een Babylonisch plan van Merodah-baladan tegen Sanherib en sloot zich aan bij een door Egypte gesteunde coalitie.[18]

In 689 v.Chr. verwoestte de Assyrische koning Sanerib de Verschrikkelijke ten slotte Babylon en werden de wallen gesloopt en de tempels en paleizen met de grond gelijk gemaakt. Het puin werd in de Arakhtu gesmeten, de zee waaraan Babylon vroeger in het zuiden grensde. Dit drama was een shock voor het religieus bewustzijn in heel Mesopotamië. De daarop volgende moord op Sennacherib werd ermee in verband gebracht, en diens opvolger Esarhaddon haastte zich in 668 v.Chr. om de hele stad weer op te bouwen. Babylon en de grote Marduktempel werden hersteld door deze energieke vorst en ook door zijn latere opvolger Assurbanipal. Dit leidde tot de opkomst van het nieuwe Babylon.[19] Esarhaddon werd er gekroond en maakte het gedurende een deel van het jaar tot zijn residentie. Zijn oudste zoon Shamash-shum-ukin regeerde verder na zijn dood en liet het hoofd bij een revolte onder leiding van zijn broer in Niniveh, Assurbanipal.

Opnieuw werd Babylon belegerd en uitgehongerd door de Assyriërs en moest het zich overgeven. Assurbanipal 'zuiverde' de stad en vierde dan een "dienst van verzoening". Maar hij waagde het niet "de handen te nemen" van Bel. In de daarop volgende overheersing door het Assyrische Rijk zagen de Babyloniërs een nieuwe wraak van de goden.[20]

Met de val van Ninivé (612 v.Chr.) wierp de stad het Assyrische juk af en werd het de hoofdstad van het groeiende Babylonische Rijk. Onder koning Nebukadnezar werd het een van de mooiste steden van de Oudheid. De stad werd beroemd om haar Hangende tuinen van Babylon, een van de zeven wereldwonderen.

Nieuw-Babylonische Rijk (626–539 v.Chr.)

1rightarrow blue.svg Zie Nieuw-Babylonische Rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Onder Nabopolassar wierp Babylonië in 626 v.Chr. het Assyrische bewind omver en werd Babylon de hoofdstad van het Nieuw-Babylonische Rijk. Na de onafhankelijkheid brak een tijd van vernieuwde bouwkunst aan. Nebukadnezar II (605–562 v.Chr.), telg van een Semitische dynastie, de Chaldeeën, maakte van Babylon een wonder uit de antieke wereld.[21] Hij zorgde voor de volledige heropbouw van het keizerlijk domein, waarbij hij ook de Etemenanki ziggurat en de Ishtarpoort liet herstellen, de meest opvallende van de acht poorten die de ringwallen telde. Vandaag is deze nog te bezichtigen in het Pergamonmuseum in Berlijn. Hij bouwde brede geplaveide en geasfalteerde lanen, zoals de processiestraat door de Ishtarpoort met 2 paar torens met naar elkaar toegewende rijen stieren en draken in baksteen reliëf op blauwe email achtergrond.

De Duitse archeologe Koldewey groef in Babylon ook een administratief archief op met 200 tabletten.

In 600 v.Chr. verdreef Nebukadnezar de Egyptenaren uit Syrië.

In 597 v.Chr. kwam plaatsvervangend koning Zedekia van de provincie Juda in opstand tegen Babylon in een poging tot autonomie. Nebukadnezar reageerde toen met een beleg van Jeruzalem. Een Babylonisch verslag in spijkerschrift maakt melding van reeds een vroegere strafexpeditie tegen Jeruzalem op 16 maart.[22] Omdat het oproer zelfs daarna niet staakte, werd de tempel van Jeruzalem verwoest, en werd overgegaan tot het in ballingschap brengen van de joodse intelligentsia die als aanstoker van het oproer werd beschouwd (de Babylonische ballingschap).

Nabonidus, zoon van een priesteres uit Babylon, de koning van Babylon in 555 v.Chr., werd door de Joden gesteund en v.v., omdat zij geleidelijk de Arabische oasen mochten koloniseren om de handelsroute te beschermen.[23]

Perzische heerschappij (539–331 v.Chr.)

In 550 v.Chr. nam Cyrus de Grote, de koning van het Perzische Rijk, heerser van het rijk der Meden, de macht in het grootste deel van Klein-Azië over en isoleerde Babylon.[24]

In 539 v.Chr. werd Mesopotamië een deel van het Perzische Rijk en werd Babylon bezet door Cyrus II, koning van de Perzische Achaemeniden.[25] Hij slaagde erin door een tot dan ongeëvenaarde manoeuvre de onneembare wallen van de stad te belegeren en in te nemen. Van de beroemde wallen van Babylon was er slechts één die doorgang gaf naar de koninklijke stadskern en dat was dan nog via de bazaar. Daarnaast was er ook de afwatering naar de Eufraat, maar die werd door dikke metalen hekken afgesloten, waar iemand die lang genoeg de adem had in gehouden om onder water te zwemmen tegenaan stootte. Cyrus of zijn staf smeedden een plan om de Eufraat toch als toegang te kiezen. Aan elke toegangspoort liet hij een grote legermacht zijn kamp opslaan om het signaal af te wachten. Op een avond toen er feest in de stad was, begonnen zijn soldaten stroomopwaarts een kanaal te graven om de Eufraat af te leiden. Toen het rivierpeil voldoende was gedaald trok een kleine voorhoede de stad binnen en kon de poorten openen, waarop het hele leger binnenstormde. Herodotus maakt melding van dit wapenfeit.[26] Het wordt tevens in de Hebreeuwse Bijbel verhaald.[27][28] Cyrus nam de stad zonder veel verweer van de dronken feestvierders in.

Later zou hij in een decreet opnieuw volledige godsdienstvrijheid toestaan, wat ertoe leidde dat afstammelingen van de uit Judah verbannen joden vrij konden terugkeren naar het land van hun voorouders.

De stad rond 600 v.Chr. met centraal de ziggurat

Babylon werd de hoofdstad van de 9e satrapie en een belangrijk centrum van studie en wetenschap. Onder de Achaemeniden bloeiden de antieke Babylonische kunsten en kundes, zoals de astronomie, de mathematica en de geneeskunde. De dierenriem werd volledig in kaart gebracht en benoemd. De stad werd tevens het administratieve centrum van het Perzische Rijk, dat in die tijd de hele bekende wereld aanvoerde. Gedurende twee eeuwen zou het een vitale rol in de geschiedenis spelen. Er zijn talloze archeologische ontdekkingen gedaan die een beter licht werpen op die tijd, waaronder de Cyruscilinder die tijdens opgravingen in 1879 door Hormuzd Rassam gevonden werd.[29][30]

De eerste Perzische koningen hielden de religieuze dienst van Marduk in stand, maar onder Darius III leidden overtaxering en talloze oorlogen tot verval van de belangrijkste heiligdommen en de kanalen van Babylon. Hierdoor desintegreerde het omliggende land. Ondanks verwoede pogingen tot opstand (in 522 v.Chr., 521 v.Chr. en 482 v.Chr.) bleven het land en de stad onder het stevig gezag van de Perzen tot aan de komst van Alexander de Grote in 331 v.Chr.

In 445 v.Chr. wist Nehemia, een joods ambtenaar van hoge rang aan het hof van Artaxerxes I en stadhouder voor Juda in Jeruzalem geworden, de koning te bewegen om de wederopbouw van de muur van zijn stad toe te staan. Hij voerde dit heel snel uit, in 25 dagen, wegens morrende buren rondom. Zo'n 10.000 afstammelingen van vroegere ballingen kwamen vervolgens vanuit Babylon naar Jeruzalem om er zich te vestigen.[31]

Hellenistische periode (331–141 v.Chr.)

In 331 v.Chr. werd Darius III door de Macedonische heerser Alexander de Grote verslagen in de Slag bij Gaugamela, en in oktober viel Babylon in handen van de jonge veroveraar.

Onder Alexander bloeide Babylon opnieuw op als centrum van studie en handel. Maar na de dood van Alexander in 323 v.Chr. in het paleis van Nebuchadnezzar, werd zijn rijk onder zijn generaals verdeeld, en begonnen decennia van twist en strijd, waar Babylon opnieuw het brandpunt van werd.

Het aanhoudende oproer deed de stad leeglopen. Een kleitablet uit 275 v.Chr. meldt dat de inwoners van Babylon werden getransporteerd naar Seleucia, waar een paleis werd gebouwd en een tempel, onder de oude naam Esagila.

Onder het nieuw-Perzische rijk

1rightarrow blue.svg Zie Perzische rijk voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Tegen de tijd dat de Parthen in 141 v.Chr. het gebied overnamen was Babylon in een desolate sluimer gehuld.

Onder de Sassaniden werd Babylon negen eeuwen lang een provincie van het Perzische rijk, tot ongeveer in 650. Het bleef zijn eigen volkeren en cultuur bewaren, er werden varianten van het Aramees gesproken. Voorbeelden van hun cultuur zijn terug te vinden in de Babylonische Talmoed, het Mandeïsme en in de religie van de profeet Mani, de stichter van het Manicheïsme.

Keer op keer werd de stadstaat weer bezocht door vijandelijke legers, tot alle inwoners verdreven waren en de stad een woestenij geworden was. Ctesiphon (en later Bagdad) nam de rol van Babylon over.

Toestand sinds de Irakoorlog

Amerikaanse soldaten voor Babylon

De uitgravingen en overblijfselen van Babylon maken deel uit van een archeologisch park. In april 2003 werd in het kader van de Irakoorlog in Babylon een 150 hectare groot militair kampement van het Amerikaanse leger gevestigd, sinds september 2003 vormt het een militair steunpunt voor Poolse troepen in Irak. Daarbij is het 2600 jaar oude wegplaveisel vergruisd, zijn grotere delen met behulp van puinresten geëgaliseerd ten behoeve van staanplaatsen voor vrachtwagens en landingsplaatsen voor helikopters. Verder is archeologisch materiaal gebruikt als onder meer zandzakvulling. De enorme schade is begin 2005 door John Curtis van het Brits Museum beschreven, grotendeels op basis van een Pools archeologisch rapport dat in 2003 is opgesteld na de overname van de Amerikaanse basis (Camp Babylon) door de Polen. In 2004 verplaatsten de Polen zich naar een verder gelegen nieuwe basis. Op dit moment zijn reconstructiewerkzaamheden bezig en hebben de Amerikanen officieel verontschuldigingen aangeboden voor de ontstane schade. Ze beweerden daarbij dat de meeste schade is ontstaan door plunderaars.