Opium | nederland en de opiumhandel

Nederland en de opiumhandel

De VOC dreef voor een belangrijk deel op de lucratieve handel in opium.[2] Zij liet de distributie na 1745 over aan de Sociëteit van den Amfioen Handel. Al vanaf de beginjaren was de VOC betrokken bij de handel van opium, zowel vanuit Turkije, Perzië en India. Nadat Cornelis Speelman in 1677 grote delen van Midden-Java had veroverd, eigende de VOC zich daar het alleenrecht op de import van opium toe. Maar ook nadat de VOC in 1800 van het toneel verdween, bleef de opiumhandel een belangrijke bron van inkomsten. In 1826 besliste koning Willem I dat de twee jaar eerder opgerichte Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) met ingang van 1 januari 1827 voor drie jaar het monopolie op de verkoop van opium voor Java en Madoera kreeg. Tussen 1825 en 1833 was de totale nettowinst van de NHM ongeveer zes miljoen gulden, waarvan de helft werd verdiend met de opiumhandel. De VOC en de NHM handelde via Chinese pachters, die het aan de consumenten verkochten. De overheid wilde echter de hele handelsketen controleren. In 1894 begon Nederland daarom een proef, voorlopig uitsluitend op het eiland Madoera, met de Dienst der Opiumregie. Met deze dienst breidde de overheid het staatsmonopolie op de handel in opium voor het eerst uit tot de detailhandel. De overheid ging zelf leren ruwe opium te zuiveren en te koken naar de smaak van de plaatselijke gebruikers. Op het landgoed Struiswijk in de wijk Meester Cornelis bij Batavia opende het gouvernement een fabriek waar het ruwe opium van staatswege werd bereid tot rookopium. Verpakt in degelijk gewaarmerkte tubes en kuipjes zou de staatsopium gemakkelijk zijn te onderscheiden van smokkelopium. Ambtenaren met een vast salaris gingen dit wettig opium nu in officiële opiumverkoopplaatsen rechtstreeks aan de gebruikers verkopen.[3]

In Europa werd opium in 1525 als medicinaal drankje geïntroduceerd. Het drankje droeg de naam laudanum en was gemaakt van alcohol en opium. Het werd door zowel volwassenen als kinderen gebruikt als slaap- en pijnstillend middel. Het drankje was erg populair. Gedurende de 19e eeuw was opium zowel in de VS als in Engeland bij drogisten vrij te koop. Het werd vooral gegeten of gedronken. Toen al werd er gerapporteerd over verslaving aan opium. Volgens de Engelse schrijver De Quincey (1785-1859) waren diverse beroemdheden verslaafd. In 1803 ontdekte een Duitse apotheker hoe uit opium morfine gemaakt kon worden. Morfine werd net als opium gebruikt als middel tegen chronische pijnen en slapeloosheid, maar het werd ook genomen door mensen die verslaafd waren aan laudanum en daar vanaf wilden komen. Dit werkte niet aangezien morfine nog krachtiger en verslavender is dan opium. Ook in de literatuur van de negentiende eeuw komt het gebruik van laudanum, opium en morfine regelmatig voor, zoals bij de verslaafde Sherlock Holmes. In 1898 bereidde een Duitse scheikundige heroïne uit morfine. De werking van heroïne bleek nog veel sterker dan die van morfine. Om die reden werd de drug ook ‘heroïne’ genoemd, wat in het Duits heldhaftig of krachtig betekent. Daar waar men morfine gebruikte om van een laudanumverslaving af te komen, ging men heroïne gebruiken om weer van die morfineverslaving af te komen. Een vicieuze cirkel was het gevolg. Men kreeg pas in de gaten hoe verslavend heroïne was toen het te laat was. In 1911 werd tijdens de Internationale Opiumconferentie in Den Haag een eerste poging gedaan om de handel in drugs te verbieden. De conferentie werd georganiseerd op initiatief van de VS. Door de grote economische belangen die bij de wereldwijde opiumhandel gemoeid waren, waren niet één maar drie conferenties nodig om uiteindelijk in 1912 te komen tot een Opiumverdrag, die pas na de Eerste Wereldoorlog werd ondertekend. Het verdrag bevatte zes hoofdstukken die de economische belangen van de deelnemende landen beschermden: - De in- en uitvoer en de distributie van ruwe opium werd daarom niet verboden maar gereglementeerd - De productie van en de handel in bereide opium zou worden onderdrukt - Cocaïne en opiaten (als morfine en heroïne) mochten alleen nog gebruikt worden voor medische- en wetenschappelijke doeleinden en de deelnemende landen werd verplicht regels en wetten op te stellen ten aanzien van de handel en de verkoop van verdovende middelen.

Het Opiumverdrag legde de basis voor de Nederlandse Opiumwet van 1919. In 1914 was in de VS al de Harrison Narcotic Act aangenomen die het bezit van drugs waaronder heroïne strafbaar stelde. In 1924 werd in de VS ook het medicinale gebruik van deze middelen verboden. Dit in tegenstelling tot landen als Nederland en Engeland. Volgens de Nederlandse Opiumwet van 1919 is heroïne een harddrug: gebruik en handel zijn strafbaar. Niet de gebruiker maar de dealer wordt vervolgd. Morfine, opium en heroïne mogen wel gebruikt worden voor medische doeleinden.[4]